Met toestemming van de webmaster, de heer Hans Mohren, heb ik een gedeelte van zijn site vertaald en hieronder weergegeven.
De turbulente geschiedenis van de meest westelijke gelegen gemeente van de Bondsrepubliek Duitsland.
In haar tegenwoordige grenzen bestaat de gemeente Selfkant pas relatief kort. Op 1 juli 1969 fuseerden de tot dan toe zelfstandige gemeenten Havert, Hillensberg, Höngen, Millen, Saeffelen, Susterseel, Tudderen en Wehr tot de nieuwe gemeente Selfkant. Deze naam is ontleend aan het stroomgebied van
de Saeffelbeek.
Reeds in de 12 de eeuw komen de namen Saeffelbeek en Saeffelen in de geschiedschrijving voor, eerst als "Safla", later als "Saeffele". Vermoedelijk is dit een verbastering van het Latijnse woord "sabulum" (sable in het Frans) dat zand betekent. Hieruit ontstond de streeknaam "Saefelkant" op dezelfde manier zoals de in het naburige Maasland voorkomende namen "Maaskant"en Roerkant". De naam werd alleen in de volksmond gebruikt en had betrekking op een groter gebied dan de huidige gemeente.
In 1935 werd de naam "Selfkant" voor het eerst officiëel van toepassing, toen uit de toenmalige burgemeestersposten Havert, Wehr, Saeffelen en Höngen het "Ambt Selfkant" gevormd werd.
De Selfkant ligt in het overgangsgebied tussen de laatste uitlopers van de Eiffel en de Ardennen en de laagvlakte van de Beneden Rijn. Het landschap is sterk afwisselend. Landerijen wisselen zich in bonte volgorde af met weilanden, bossen en de groene uiterwaarden in het stroomgebied van de Saeffelbeek en de Rode Beek. Het hoogste punt is de Schlounerberg bij Hillensberg met precies 101 meter, het laagst gelegen punt vormt de Hohbruch, noordelijk van Schalbruch, met 33 meter boven de zeespiegel.
De eerste sporen van langdurige huisvesting, in dit gebied, voeren terug tot het vroege Stenen Tijdperk. De eerste bewoners van deze nederzettingen werden omstreeks 1000 voor Christus door de Kelten verdrongen, die op hun beurt een paar honderd jaren later door Germaanse stammen onderworpen werden.
In 57 voor Christus kwam de streek onder Roemeinse heerschappij, waardoor een versnelde kulturele ontwikkeling plaats vond. De Romeinen legden heir- en handelswegen aan. In de nabijheid hiervan onstonden boerenhoeven. Op een oorkonde uit deze tijd stamt de vroegste vermelding van een huidige plaats. In het jaar 150 na Christus vermeldde de Romeinse geograaf Claudius Ptolemeus een plaats genaamd "Teuderion" gelegen aan de straat van Coriovallum (Heerlen) naar Colonia Ulpia Traiana (Xanten).
Het huidige Tudderen bestond dus als meer dan 1850 jaren geleden. Haar naam die in de volgende oorkonde, in het Itenerarium Antonini van de 4 de eeuw "Theudurum luidt, verandert in de loop der eeuwen via "Thidrode" tot de hedendaagse in gebruik zijnde vorm.
Toen het Romeinse Rijk onder de toevloed van de Germaanse Volkeren ten onder ging waren het de Franken die deze streek in hun bezit namen. Onder de Frankische heerschappij vormden zich spoedig kleine leenheerschappen, die onder het bestuur van een vazal van een Frankische koning stonden. Tijdens de vroege middeleeuwen was de Heer van Millen de belangrijkste heerser in dit gebied. Hij was een zwager van de Hertogen van Gelder, genoot hoog aanzien en was zeer invloedrijk. In de loop der tijden verloren het geslacht echter zijn invloed en deelde het lot van andere kleine edelen.
Millen werd in 1282 in de heerlijkheid Heinsberg opgenomen. In 1499 kwam Heinsberg onder het bewind van de Hertog van Jülich. Millen werd de zetel van een stroman van de hertog van Jülich. De nederzettingen Tudderen, Wehr, Susterseel en Hillensberg behoorden bij Born en vanaf 1709 bij Sittard.
Na de Franse revolutie, in oktober 1794 kwam de streek onder Frans bewind. Naar Frans voorbeeld werd
het land bestuurlijk in departementen, arrondissementem, kantons en burgemeesterijen ingedeeld. De Selfkant behoorde nu tot het departement van de Roer, waaronder het arrondissement Aken met 11 kantons resorteerden.
Alle tot het gebied van de huidige gemeente Selfkant behorende buurtschappen behoorden toen tot het kanton Sittard. Het algemene bestuur werd naar Frans voorbeeld strak gereorganiseerd. In het bezette gebied links van de Rijn werd de Burgerlijke Stand ingevoerd. De oudste bestanden van de Burgerlijke stand van de Selfkant zijn ontstaan in het jaar 1798 en zijn eerst in het Duits en later in de Franse taal geschreven.
Na de slag bij Leipzig, op 19 oktober 1813, trokken de Fransen zich, tussen januari en mei 1814, uit de Selfkant terug. Toen de ster van Napoleon, na de verloren slag bij Waterloo op 18 juni 1815, definitief was ondergegaan kwam het Rijnland onder een provisorisch bestuur van de Verbonden Staten.
Dit gemeenschappelijke bestuur duurde tot 15 juli 1815. Op het Weense Congres van 1814 tot 1815 werd de Europese Staatsinrichting opnieuw geordend. Het grootste gedeelte van het gebied van de Beneden Rijn werd bij het koninkrijk Pruisen gevoegd. De grens met het koninkrijk der Nederlanden werd op 26 juni 1816 vastgesteld.
Het tijdperk tot aan het begin van de eerste wereldoorlog is dan door rust gekenmerkt.
Na de wapenstilstand van 9 november 1918 volgt op 1 december 1918 de bezetting van de linker Rijnoever door de geallieerden. In de Selfkant worden Franse troepen ingekwartierd. De arbeiders- en soldatenraden, die onstaan waren na de uitbraak van de revolutie in november 1918 werden door de bezetters weer opgeheven.
De wereldrecessie op het einde van de jaren twintig en bij het begin van de dertiger jaren gaat ook aan de Selfkant niet onopgemerkt voorbij. Als werkverschaffing voor de talrijke werklozen worden werkverschaffingsprogramma's uitgevoerd. Zo worden in de jaren 1934 en 1935 het Broek van Schalbruch en dat van Wehr drooggelegd en exploiteerbaar gemaakt.
Op 1 mei 1935 werden de vroegere burgemeestersposten Havert en Wehr en de tot de vroegere burgemeesterpost van Saeffelen behorende gemeente Höngen tot het nieuwe Ambt Selfkant samengevoegd. De gemeente Saeffelen, die sind 1815 onder de burgemeesterspost van Havert viel, werd bij het Ambt Waldfeucht toegevoegd. Het bestuur van het nieuwe Ambt Selfkant werd in de kantoren van de voormalige burgemeesterspost van Wehr ondergebracht.
Op 1 september 1939 begon met de aanval op Polen de Tweede Wereldoorlog, die ook voor de Selfkant tragische gevolgen zou hebben.
Reeds lange tijd voor deze datum kon men in de regio Aken en ook in de Selfkant de voorbereidingen op de oorlog gadeslaan. In een hoog tempo werd de Westwall uit de grond gestampt. Uit de grintgroeves van de Westerheide (gebied tussen Tudderen en Susterseel) reden dag en nacht vrachtauto's met grint naar de bouwplaatsen van de Westwall. De straten tussen Geilenkirchen en Heinsberg naar Sittard werden als uitvalsstraten naar het westen rechtgetrokken en verbreed. In het geval er gevochten zou moeten worden zou de Selfkant tot niemandsland verklaard worden. Daartoe werden alle families gecatalogiseerd om hun evacuatie, ergens anders in Duitsland, alvast te organiseren. Na de veldtocht tegen Polen werden troepen uit Beieren in de Selfkant ingekwartierd. Deze troepen bereidden zich middels grote oefeningen voor op de aanstaande veldtocht tegen het westen. Deze manoevres deden toen al menigeen het ergste vrezen.
Op 18 september 1944 vielen de eerste granaten op de Selfkant. Het Ambtsbestuur Selfkant staakte haar werkzaamheden. Als het eerste dorp van de Selfkant werd op 18 september 1944 Hillensberg, vermoedelijk zelfs als eerste Duitse plaats, door de oprukkende troepen van het 1 ste Amerikaanse leger onder bevel van generaal Hodges, bezet. Daags erna rukten Amerikaanse troepen, van het 2 US Armoured Division, naar het noorden op en probeerden de Rode Beek over te steken. Tudderen, Wehr en Susterseel werden dezelfde dag nog bezet. De brug over de Rode Beek bij het grenskantoor was door de SS opgeblazen. Men rekende er op dat de Amerikanen snel verder zouden oprukken. Dat gebeurde echter niet.
De Amerikanen groeven zich in op de lijn Nieuwstad - Millen - Tudderen -Susterseel - Hastenrath - Kievelberg - Vinteln. Het front verstarde hier maandenlang.
De plaatsen Isenbruch, Schalbruch, Havert, Stein, Höngen, Groot en Klein Wehrhagen en Saeffelen bleven in Duitse handen. Deze plaatsen werden maandenlang hevig met artillerie beschoten en gebombardeerd.
Op 11 november 1944 werden de Amerikaanse troepen door het 2 de Britse leger afgelost. Hoewel de Amerikanen het verblijf van de bevolking hadden getoleerd, bevolen de Engelsen meteen de evacuering van de gehele bevolking. Deze werd met vrachtauto's naar het kamp Vught, het voormalige Duitse concentratiekamp ten zuiden van Den Bosch, vervoerd.
Het front in de Selfkant kwam pas midden januari 1945 weer in beweging toen de gealliëerden Operatie Blackcock startten. De bewoners, die naar het naburige Nederland gevlucht waren, konden weer naar hun haard en huis terugkeren. De thuiskomst van de in Kamp Vught geïnterneerden zou daarentegen nog lang op zich laten wachten.
Toestemming tot terugkeer werd hen pas enkele weken na het einde van de oorlog, in juni 1945, gegeven.
De verwoeste huizen en straten, de door bommmen- en granaattrechters geschonden en met mijnen bezaaide weiden en velden, de met draad bespannen bunkers en loopgraven bood de thuiskomenden een desolate aanblik .
Het archief van het Ambt Selfkant was door de Amerikaanse troepen afgevoerd en is sindsdien spoorloos verdwenen. Alleen de burgerlijke stand en enige oude kronieken zijn behouden gebleven.
Aan oplossing van communale problemen kon men in de eerste na oorlogse jaren amper beginnen. Men was al blij als men de zwaar beschadigde wegen en straten in een enigszins berijdbare toestand kon houden.
Het ambtsgebouw van Wehr was om de geplande nieuwbouw van een Raadhuis in Tudderen te financieren (maar waaraan men echter door het uitbreken van de oorlog niet meer mee begonnen was) in 1939 verkocht. Daar de nieuwe eigenaar het gebouw na de oorlog voor eigen gebruik opeiste, moest het bestuurscollege van de Selfkant haar zetel naar Tudderen verplaatsen. In de voormalige politiepost aan de huidige Neustrasze vond zij een tijdelijk onderkomen.
Na de oorlog was er een korte periode rust. Weldra echter werd de bevolking opgeschrikt door Nederlandse eisen van annexatie. De Nederlandse regering in ballingschap in Londen, had reeds in 1944 als vergoeding voor de geleden oorlogsschaden een annexatie van diverse Duitse gebieden geëist.
Daar een vredesverdrag binnen afzienbare tijd niet waarschijnlijk leek, kwamen de drie Westlijke bezettingsmachten tot de conclusie dat een beslissing over Duitsland niet langer afhankelijk kon zijn van een verdrag tussen de vier grootmachten. In de eerste helft van 1948 kwamen de vertegenwoordigers van Nederland, België en Luxemburg in Luxemburg, bijeen met de vertegenwoordigers van de westelijke bezettingsmachten om tot een oplossing van het Duitslandvraagstuk te komen.
Al in 1946 had de Nederlandse regering drie officiële memoranda, ter oplossing van deze kwestie, aangeboden. Op de conferentie van de ministers van Buitenlandse zaken, die van 14 jan. tot 25 feb. 1947 in Londen gehouden werd, werden deze stukken besproken. Nederland maakte aanspraak op Duitse grensgebieden in de grootte van ongeveer 1840 vierkante kilometer, dat komt ter vergelijking overeen met 2/3 deel van het Saarland = 2559 vierkante kilometer. In deze territoriale uitbreidings eisen waren het eiland Borkum, de Dollart, de gewesten Bentheim en Meppen, zowel als de Noordrijn Westfaalse gewesten Ahaus, Rees, Kleve, Erkelenz en Geilenkirchen/Heinsberg opgenomen. In deze streken woonden in 1946 rond de 160 duizend mensen, die voor meer dan 90 procent de Duitse nationaliteit bezaten.
Begin 1946 nam de spanning tot een hoogtepunt toe. Volgens berichten in de pers zou een een commissie van de zes betrokken machten ter beoordeling van de gebiedseisen op 8 feb. in Parijs bijeenkomen om tot een definitief besluit te komen. Op 22 maart 1949 werd uiteindelijk, door de ondertekening van het protocol van Parijs, het lot van de Selfkant bezegeld.
Ondanks intensieve bemoeienissen van Duitse kant om de annexatie te voorkomen, werd de Selfkant in het kader van de besloten grenscorrectie, van Duitsland afgescheiden. Op zondag 23 april 1949 was het dan zover. Kort voor 12. 00 uur reed vanaf Sittard, in de richting Tudderen, een grote kolonne voertuigen de Selfkant binnen. Voor het Ambtsgbouw had zich een aanzienlijke menigte verzameld. Nadat de Marechaussee het Ambtsgebouw doorzocht had, betrad de gevolmachtigde van de Nederlandse regering, de landdrost Hubert Dassen het bestuursgebouw. Aan het gebouw werd, als symbool van overname van de Selfkant door Nederland, de Nederlandse vlag gehesen. De afscheiding was een feit.
Onder Nederlands bestuur geplaatst werden de gemeenten Havert, Hillensberg, Millen, Susterseel, Tudderen, Wehr, het grootste deel van de gemeente Höngen tot aan de wijk Dieck met ongeveer 25 ha en 14 inwoners, een deel van de gemeente Gangelt met de wijk Mindergangelt, een onbewoond deel van de gemeente Schümm en een deel van de gemeente Saeffelen met de buurt Heilder. Samen een gebied van 42,05 vierkante kilometer met 5630 inwoners.
Nog op de dag van de afscheiding werden in alle plaatsen bekendmakingen en proclamaties van de Nederlandse regering opgehangen. De bevolking moest zich op 25 en 26 april 1946 laten registreren.
De structuur van het bestuur werd naar streng Nederlands voorbeeld ingevoerd. Dit betekende een aanzienlijke verandering van de bestaande verhoudingen. De gekozen gemeenteraden en de gekozen burgemeester moesten conform het Nederlandse grenscorrectiebesluit hun aktiviteiten staken. De afzonderlijke gemeentes verloren hun zelfstandigheid en werden tot een zogenoemd Drostambt samengevoegd. Aan het hoofd van het bestuur stond een zogenaamde Landdrost, die telkens voor een jaar door de Nederlandse koningin benoemd werd.
De landdrost vormde een adviescommissie, die bestond uit de voormalige burgemeesters van de afzonderlijke gemeenten. De commissie had geen bestuurlijke bevoegdheden, was louter en alleen adviserend.
Het bestuur van het Drostambt viel rechtstreeks onder het directe gezag van de Nederlandse regering in Den Haag. Pas na het inwerking treden van de Grenscorrectiewet (op 26 september 1951) kwam het Drostambt onder het bestuur van de provincie Limburg. In financieel opzicht resorteerde het Drosambt echter onder het gezag van het ministerie van Binnenlandse Zaken in Den Haag.
De Duitse bevolking van de Selfkant kreeg met betrekking tot haar nationaliteit een aparte status. De Duitse inwoners, die tussen 28 feb. en 23 april in de Selfkant woonden behielden hun Duitse nationaliteit, werden overigens echter als Nederlandse staatsburgers behandeld. Dat betekende dat ook een Duitser
op verzoek een Nederlands paspoort kon krijgen waarin echter als nationaliteit "Wordt behandeld als Nederlander" vermeld stond.
Op de dag van de afscheiding werden zowel de oude Duits-Nederlandse grens zoals ook de nieuwe demarcatielijn, voor een termijn van 14 dagen hermetisch afgesloten. Niemand kon meer de Selfkant in of uit. Na 14 dagen van volledige afzondering werd de oude Duits-Nederlandse grens op zondag 8 mei 1949 naar de Nederlandse kant geopend. Op deze mooie meidag overspoelde een onoverzienbare stroom Nederlandse bezoekers de Selfkant om het nieuw verworven gebied te bezichtigen. De nieuwe Duits-Nederlandse demarcatielijn bleef voorlopig nog gesloten.
Op 19 mei 1949 werd de Marechaussee teruggetrokken van de grensovergangen en de grenscontroles overgedragen aan de Douane.
Minister president Karl Arnold, die zich hevig tegen de gebiedsafscheiding verzet had, zette zijn bemoeienissen ook na 23 april 1949 onvermoeid voort. Eindeloos betoogde hij dat gebeurde feiten het recht niet veranderen konden. Op een grenslandtreffen op 8 mei 1949 in Anholt verklaarde hij dat de Selfkant en het gebied rond Elten nog altijd tot Duitsland behoorden en de daar wonende Duitse bewoners altijd Duitse staatsburgers zouden blijven.
Door een op 8 jan. 1951 met het zegel der deelstaatregering in Düsseldorf goedgekeurd besluit, van het gewest Geilenkirchen-Heinsberg, bleef het gewest binnen het gewest Selfkant zonder naam.
De oorspronkelijke hoop dat de Nederlanders spoedig zouden beginnen met het herstel van de grote oorlogsschade, ging niet in vervulling. Op 20 jan. 1950 werd in een vertrouwelijk schrijven van het Ministerie van Binnenlandse Zaken aanggegeven, dat gezien het voorlopige karakter der grenscorrecties in de aangesloten gebiedsdelen slechts de hoogstnoodzakelijke werkzaamheden uitgevoerd mochten worden. Het originele stuk bevindt zich nog altijd in het gemeentelijk archief.
Medio 1955 werden de Nederlandse voorschriften mbt het bewerkstelligen van sociale woningbouw ook op de Selfkant van toepassing. De Selfkant kreeg voor een periode van 3 jaren, per jaar een contingent van 50 woningen toegewezen. De wederopbouw ambitie van de bevolking verkreeg daarmede de onontbeerlijke financiële ondersteuning.
Na langdurige onderhandelingen werd in 1955 Hillensberg als eerste plaats in de Selfkant op het waterleidingnet aangesloten. In het begin van 1957 werd gestart met de aanleg van een Nederlandse doorvoerstraat door de Selfkant. Deze straat, een van de motivaties voor de annexatie van de Selfkant in 1949, moest Zuid- en Oostelijk-Limburg verbinden met Midden-Limburg.
De werkzaamheden aan deze straat (met een lengte van 8,5 km - waarvan 6,5 km op Duits gebied) duurden tot 1959. Op 1 jan. 1959 werd de weg voor het verkeer opengesteld. Oorspronkelijk had de weg gelijkvloerse kruisingen. Op het moment van oplevering waren dat er 18. In het grensverdrag nam de Nederlandse regering de verplichting op zich, voor de teruggave van de Selfkant aan Duitsland, de straat te voorzien van 7 ongelijkvloerse kruisingen. De reden hiervoor was dat het Nederlandse verkeer zonder extra grenscontroles door de Selfkant kon rijden. De straat wordt hierdoor nu nog door onze Duitse buren de Transitstraat genoemd.
Reeds in 1952 waren door Duitsland aktiviteiten gestart om de door de eenzijdige Nederlandse grenscorrecties ontstane problemen op te lossen. Officiële onderhandelingen begonnen echter pas in maart 1957. Minister Luns van Buitenlandse Zaken begon toen besprekingen met zijn Duitse collega von Bretano om tot een oplossing van de bestaande bilaterale problemen te komen.
De eerste onderhandelingen op delegatie nivo vonden op 5 april 1957 plaats. In eerste instantie leek het bijna onmogelijk de tegengestelde standpunten bij elkaar te brengen en de onderhandelingen moesten worden afgebroken.
Na een nieuwe bijeenkomst in 1958 van de beide ministers, konden de onderhandelingen in jan. 1959 weer hervat worden. Na soms taaie discussies kwam men in het voorjaar van 1960 tot een toenadering van de standpunten. De concretisering van de formulering van het verdrag nam defenitieve vormen aan. Begin april 1960 was men het met elkaar eens. Op 8 apil 1960 werd het omvangrijke verdrag feestelijk in Den Haag ondertekend.
In 1961 en 1962 werd verder onderhandeld. In het financiële verdrag had de Bondsrepubliek zich verplicht Nederland 280 miljoen DM schadevergoeding te betalen. In vergelijking met de door Nederland aangemelde oorlogsschade was dit slechts heel weinig. Het gesloten vereffeningsverdrag was echter geen vredesverdrag en de vergoeding was zoals de Bondsregering duidelijk betoonde geen schadevergoeding voor de door de Duitse troepen aangerichte oorlogsschade. Volgens het in Londen genomen besluit in 1953 over de schulden van het Groot Duitse Rijk bleef de uiteindelijke oplossing opgeschoven tot een definitief vredesverdrag met Duitsland.
Op 21 feb. werd uiteindelijk het verdrag door de Tweede Kamer goedgekeurd en op 7 mei 1963 door de Eerste Kamer geratificeerd. Hierdoor kwam er groen licht voor het zg. Hollandverdrag.
Nu alles op hoog nivo geregeld was begonnen op lager bestuursnivo de besprekingen en voorbereidingen voor de teruggave van het gebied. Met toestmming van de regeringspresident in Aken vonden op 15 mei en op 11 juni 1963 op het gewestelijk bestuur in Geilenkirchen besprekingen plaats tussen Oberkreisdirector Dr. Kohlschütter en landdrost Dassen. In dit overleg ging het in hoofdzaak over de oplossing van bestuurlijk technische problemen.
De Duitse Bondsdag gaf zijn toestemming op 15 mei 1963 en de Landtag van Nordrhein-Westfalen nam op 24 juli de wet op de Duits-Nederlands Vereffingsverdrag aan. De uitwisseling van de ratificeringen volgde op 1 juli 1963 en daarmee kon het verdrag per 1 aug. 1963 van kracht worden.
Nu de datum van terugkomst officieel was vastgesteld begonnen zich merkwaardige aktiviteiten in de Selfkant af te spelen. Speculanten van heinde en verre roken hun kans. Zalen, leegstaande schuren, garages en alle mogelijke opslagruimtes werden afgehuurd en tot het plafond met Nederlandse waren volgestopt. Zakenlieden ontplooiden koortsachtige aktiviteiten. Zij hoopten met boter, graan, tabak, conserven en andere waren ongehinderd te kunnen marchanderen. Deze waren mochten in eerste instantie niet onder de zg. verboden waren vallen. De zakenlui hoopten hun waren na 1 aug. in Duitsland op de markt te kunnen brengen en tengevolge van de grote prijsverschillen met Nederland enorme winst te kunnen maken. Dagelijks waren in de Selfkant lange colonnes vrachtwagens aan het rijden die met zakken, kisten en dozen vol beladen waren. Volgens krantenberichten werden hele scheepsladingen via de Nederlandse vaarwegen
naar de Selfkant en Elten getransporteerd. Diverse handelsondernemingen hadden zelfs een manager in de Selfkant aan het werk.
De belastinginspecteurs van Keulen en Münster waarschuwden op 25 juli 1963, dat over de hamstervoorraden alsnog belasting zou worden geheven. Op 31 juli, de laatste dag dus voor de terugkomst, bleven de vrachtwagens zelfs twee tot drie rijen breed op de straten staan. Zelfs op velden en weilanden werd geparkeerd. Zo'n grote verzameling voertuigen was nog nooit waargenomen.
Diezelfde dag werden door de Nederlandse autoriteiten de voorbereidingen getroffen om het bestuur
aan de Duitse instanties over te dragen. Om 12 uur 's middags werd de burgerlijke stand met het bevolkingsregister verzegeld.
De officiële overdracht werd om 19.00 uur zonder grote formaliteiten voltrokken. Kort voor 19 uur betrad landdrost Dassen, vergezeld door zijn secretaris van Halbeek, voor de laatste maal het bestuurscentrum. Na hem kwamen de Oberkreisdirektor Dr. Kohlschütter en de Regierungsassessor Dr. Braun, de toekomstige gevolmachtigde van de landsregering. Deze vier personen voltrokken de officiële overdracht.
Verslaggevers van krant, radio en televisie waren in grote getale aanwezig om deze historische gebeurtenis te verslaan. Buiten verdrongen zich de mensen om aan het gebeuren deel te hebben.
Na de officiële overdracht gingen twee Nederlandse politieagenten voor het gebouw op wacht staan. Om middernacht werden ze door twee Duitse collega's afgelost. Om 0 uur gingen de slagbomen open aan de in 1949 geschapen, provisorische grenzen. De Nederlandse douane ging terug naar de oorspronkelijke Duits-Nederlandse grens. De annexatie door Nederland was defintief voorbij.
Langs de 27 km. lange grens waren 6 douanekantoren ingericht. Als voorloper van een Europese integratie waren de Duitse en de Nederlandse douaniers in een gebouw ondergebracht. Hier was men zijn tijd ver vooruit.
Meteen na het terugleggen van de grens kwam de in de Selfkant kilometerslange opgestuwde colonne vrachtwagens in beweging. In tegenspraak met de pas enkele dagen geleden afgelgde verklaringen van de belastinginspecteurs stonden de Duitse douaniers machteloos tegen de naderbij dreunende colonnes.
De bevolking kreeg verzekerd dat alles gedaan zou worden om de overgang gemakkelijk te maken. Nadat het Saarland reeds per 1 jan. 1957 en de door België geannexeerde Duitse gebieden op 28 april 1958 naar de Bondsrepubliek teruggekeerd waren, was hiermee het laatste territoriale probleem aan de Duitse westgrens opgelost.
|