|
Koeelpiet op
|
|

tek. Jef Caenen (met toestemming van zijn weduwe)
|
De benaming "Koeelpiet" kon je hier in de Limburgse Mijnstreek op twee manieren uitleggen. Vaak was het de benaming voor het voor velen
minderwaardige beroep van mijnwerker, een scheldwoord eigenlijk. De Koeelpieten onder elkaar gebruikten het echter gelaten als hun uitdrukking van
onderlinge verbondenheid. De gevoelens van ongeluksvogel en arme stakker waren er ontegenzeggelijk in opgesloten, denk ik nu na een halve eeuw.
Ik ben maar drie jaren zwart bezig geweest en had toen mijn neus overvol van het kolenstof en het onmenswaardige bestaan. De primitiefste
behoeften van een werkman, een veilige werkplek, schoon drinkwater en een eenvoudige WC waren gewoon niet aanwezig. Je kon er ook niet over
praten. Het was zelfs een eer als een zogenaamde opzichter je zorgvuldig in het drinkblik bewaarde water voor einde dienst, voor je door het stof
ontstoken ogen uitzoop. Als je er over kankerde was je een communist. Sommige opzichters, gelukkig niet allemaal, waren schepsels die de duivel in
een kwaaie bui bedacht had. Ik geloof dus niet meer in de hel sinds ik ondergronds vertrokken ben.
Misschien omdat ik er maar zo kort was heb ik nooit de ware motieven van de Koeelpiet begrepen. Eigenlijk heb ik mezelf in die drie jaren ook niet
begrepen. In den beginne was ik trots op mijn beroep. Ik was één van de zwarte strijders aan het kolenfront, werkte met een zware,
ratelende afbouwhamer, doorstond grote ontberingen, leverde onmense inspanningen en voelde me een echte koeelpiet met de andere kompels als ik
mijn knab "toebedeeld stuk" eruit kreeg. Voelde me ... en leed als "Slappe trekhond" (scheldwoord) als dat niet
lukte. Kwam meer dood dan levend thuis en was dan vaak zo moe dat ik tot niks meer in staat was. Viel vaker na een nachtdienst bij het eten aan tafel
in slaap. Ging om energie te sparen uit alle verenigingen waarvan ik lid was, ging ook altijd vroeg naar bed en gaf "de Koeel alles
wat ik had.
Op een dag hadden we geviedeld. Dat was twee uren overwerken. Een vierde, van de normale acht ondergrondse uren, overgewerkt. Eén vierde, daar
kwam het woord viedelen vandaan. Een vaarsjtieger (meesteropzichter) in een krijtwit pak moest op een mijnfiets mee naar de schacht
teruggereden worden. Hij had niks uitgevoerd, alleen maar op zijn dikke, luie reet in de vulling (verlaten stuk) gelegen en ons opgejaagd.
Menier de vaarsjtieger moest nu wel - uit de loef (ondergrondse wind) gehouden worden en achterop zitten. Wij, die door en doornat van
het zweet en afgemat waren, moesten trappen en hem met onze bodies uit die wind houden. Ik vroeg of ik misschien zijn droog jasje kon krijgen.
Dat stond gelijk met heiligschennis, een vaarsjtieger, die gaf je zelfs ongevraagd je vrouw ... hoorde ik als aanstaande mijnscholier tot lering voor de
toekomst.
Een redacteur van "De Telegraaf" maakte al in 1928 melding van een onoplosbaar probleem. Als je koempel was, was je gelijk alszodanig
getekend. Je kreeg zwarte randen om de ogen door de inwerking van het kolenstof. Dat teken was niet makkelijk op korte termijn te verwijderen.
We hadden er wel lapmiddeltjes voor, bijvoorbeeld slaolie. Toen de directie in de late jaren vijftig druppelflesjes ophing met dit spul werd het vaker
gebruikt als haarolie dan als ooglidreiniger. Om dit misbruik tegen te gaan werd een boete van 50 cent ingesteld. Het was natuurlijk de onnozelheid
ten top als je in overweging neemt dat, in de opzichtersbaden en die van de directie, de Brylcreme op de plank stond.
"Oes Koeel; was de koosnaam die de Schinveldse kompels aan de Staatsmijn Hendrik gegeven hadden. Het overgrote deel van de
Schinveldse mannen werkten er en velen waren er door bezeten. Over "Oes Koeel werd thuis, in de café's en zelfs zondags in de kerk
onophoudelijk gepraat. Over het accoord (beloning per post), het bouwen in de storing, de hardheid van de kool, de vulling (verlaten
stuk), het water, het gas, de opzichters.
In Schinveld was een opzichter (de gekke R.. ) die in zijn garage een stuk pijler (kolenfront) nagebouwd had en daar zijn vrouw
iedere dag life op de hoogte hield van de besognes in zijn afdeling. Voor veel Schinveldenaren was het een onbegrijpelijke dwaling van de regering dat
de schachten van hun Koeel niet in hun dorp, maar in het nabijgelegen Brunssum afgediept waren.
In de expolitatieperiode van de SM Hendrik verloren ook veel Schinveldenaren hun leven op deze gevaarlijke mijn. Mijn vader was een van hen.
De Hendrik was de gevaarlijkste en met zijn 1085 m onder het maaiveld, de diepste Limburgse mijn. Er was veel last van mijngas, er waren veel
storingen (verbrekingen) in de kolenlagen en de toevloed van water was enorm. Het mijngas werd hoofdzakelijk bestreden door het
inblazen van veel lucht. In de hoofdsteengangen stond een continue storm en je koelde er enorm af. In veel pijlers was het weer bovenmatig warm en
vaak regende het uit het dak. Pijlers waren soms extreem hoog of laag. Stof werd bestreden met watersproeiers. In een lage pijler lag je dan vaak
in centimeters modderwaterwater (sjlam) te wentelen. Het ging er aan je nek in en kwam er aan je broekspijpen uit. We vonden het
normaal, de kompel was immers niet geschapen om te klagen maar om ... kaole te make.
"Woa kaole zin en eike wasse, zin ooch luuj die dao biej passe !"
"Waar kolen zitten en eikenbomen groeien, zijn ook mensen die daar bij passen!"
Een van de grootste regionale leugens van de twingste eeuw. Waarschijnlijk bedacht om de schrijnende mistoestanden te legitimeren.
Ik had al snel genoeg van al die misleidende en eigenlijk misdadige klets.
Glück Auf !
Het is al bijna 50 jaren geleden dat ik dat op een mooie morgen in mei, na mijn laatste nachsjiech, de laatste keer overtuigd en welgemeend zei toen ik
voor de laatste keer mijn lamp, stofmasker en penning met nummer HK 667 inleverde.
De koeel had mijn leven een onuitwisbare richting gegeven, ik had mensen leren kennen en waarderen, duivels verfoeien. Een week later was ik
het koeelpietteken in mijn ogen definitief kwijt, zag ik in een spiegel.
Nu 50 jaren later denk ik dat ik het, gelukkig in mijn nog altijd zwarte ziel, bewaard heb om het via het geschreven woord door te geven.
De generaties na ons moeten weten hoe de generaties voor hen, in deze streek, misbruikt zijn door mijndirecties, overheid en geestelijkheid.
|
|