Vragen en een kruiwagen.
Ik heb van kindsbeen af met veel vragen en onduidelijkheden opgezadeld gezeten. Amper was ik me van mijn omgeving bewust of de nieuwigheden dienden zich al ongevraagd aan.
De allerprilste waren:
Waarom mag ik niet op mijn gemak op de pot blijven zitten?
Waarom moet "drukken doen" op commando?
Waarom mag ik tijdens het drukken doen niet lekker met mijn plasser spelen?
In dit stadium nam ik nog genoegen met de uitleg van mijn moeder. Lieve jongens spelen niet met hun piel en drukken vlug door. Ik deed mijn best om haar lieve jongen te zijn, maar werd ook een drukke stiekemerd.
Ik leerde lezen. Waarom mocht ik niet alles lezen dat ik kon ontcijferen? Bepaalde stukken in de krant waren niet zo geschikt voor mij, zei mijn vader. Het dagelijkse feuilleton (Ik verkoos de vrijheid), dat hij meteen na de voorpagina verslond, was taboe voor mij. Ik las het, door nieuwsgierigheid, noodgedwongen stiekem op onze drukdoos in de tuin. Dat was een apart hokje, naast het kippenhok, met een uitgezaagd hartje in de deur. Door dat hartje viel erg weinig licht, dus de deur stond altijd op een kier wat bovendien erg ademverruimend werkte.
In de zomer was het aangenaam om er een grote boodschap te doen. Je kon dan op je gemak in onze tuin kijken of de mussen gadeslaan die een zandbad namen in de kuilen van de kippenren. Ook kon ik het grote aantal rare lappen tellen, die soms 's maandags bij de buurvrouw aan de waslijn hingen. Ik kreeg nooit antwoord op mijn vraag waartoe die lappen dienden. Mijn vader dreigde zelfs met enig lichamelijk geweld als ik bleef zeuren. Toch was dat tellen interessant. Ik ontdekte een regelmaat van om de vier weken. Iedere vier weken was het aantal lappen maximaal ongeveer gelijk. Daar zat geen toevalligheid achter. Dit was een gestuurd fenomeen. Ik wist zeker dat ik het later zou ophelderen en dan glunderend aan mijn onwetende vader zou vertellen. Die zou dan aangenaam verrast naar me opkijken!
Weinig interessant was het om "De verkozen vrijheid" te lezen. Een van mijn wekelijkse taken was oude kranten met een oud broodmes tot halve A4-tjes te snijden en op de wc op een haak te prikken. De feuilleton hing dus eigenlijk als voorloper van de leesmap aan de muur en was nu nihil obstat om te lezen.
Ik snapte niet waarom mijn vader die slappe onzin las. Mannen die zich het vuur uit hun sloffen liepen om vrouwen te zoenen. Mannen hadden toch zeker iets anders omhanden dan vrouwen na te lopen? Echte mannen, dat waren cowboys en die reden op half getemde mustangs en dreven wilde longhorns op. Cowboys zoenden nooit en sliepen alleen of hooguit bij hun paard. In al mijn Arendsoog boeken werd met geen woord gerept over de flauwe kul die mijn vader las. Alleen om op de hoogte te blijven over hetgeen hij mij verbood, bleef ik zijn opleveringen lezen.
Omstreeks die tijd werd ik ook veroordeeld tot bijna dagelijks kerkbezoek. De vragen werden nog complexer. Jongens - mannen zaten rechts in de kerk, vrouwen - meisjes links. Waarom?
Onze geiten stonden ook links in de stal. De bok was rechts geparkeerd. Was er een overeenkomst? Zo ja, welke?
Vrouwen mochten geen aanstoot geven en moesten derhalve een hoofdbedekking dragen in de kerk, mannen mochten geen hoed op. Waarom? Waren mannen soms natuurlijk minder aanstootgevend? En hoe gaf je aanstoot? Deed je dat met de ellebogen? Vragen en nog eens vragen!
Mij viel op dat er ook veel meer jongens verplicht de kerk bezochten dan meisjes. Waarom was dat? Omdat dat voor jongens goed was, zei mijn vader. Jongens moesten 's morgens voor ze helemaal wakker werden uit bed gehaald worden. Dat zou gezond zijn en kwamen ze niet op rare gedachtes, nietwaar? Welke gedachtes? Kop dicht! Ik kon het me niet voorstellen, mijn vader raaskalde, ik vond het zo bijzonder prettig en aangenaam na het ontwaken. Dat half slapend opstaan vond ik erg ongezond.
Op school werden door de kapelaan misdienaars geronseld. Om misdienaar te zijn moest je een onbevlekte ziel hebben, zei de kapelaan. Ik vermoedde dat die van mij niet meer smetteloos was en waarschijnlijk ook nooit meer zou worden en nam me voor doof te blijven voor zijn convocaties. Ik werd toch cowboy en zou dan boeven en veedieven met mijn colt 45 neerschieten. Ik zou me dood schamen als ik later mijn collega cowboys moest vertellen dat ik in mijn jeugd, nota bene in een jurk, met een wijwateremmertje achter een verklede man had aangerend die oude besjes met een soort witkwast nat gooide.
Hakkelend vertelde ik de kapelaan van mijn probleem. Probeerde hem uit te leggen dat ik me niet geroepen voelde. Adviseerde hem met goede raad te werven op de meisjesschool, die schepsels waren immers niet aanstootgevend en dus beter geschikt; vond ik.
Meewarrig schudde hij zijn hoofd. In de dienst der altaren was geen rol voor de vrouw weggelegd orakelde hij. Maar mijn tante poetst toch het koper in de kerk, wist ik zeker!
Hij zou voor mij bidden beloofde hij zuchtend en streek een denkbeeldige plooi in zijn jurk glad. Ik hoopte vurig dat hij dat zou vergeten, ik zou nooit een goede cowboy kunnen worden als hij veel voor me bad. Die kruiwagen zou averechts werken, vreesde ik.
Ik heb mijn kruiwagen uiteindelijk zelf getimmerd en vertimmerd en sjouw er nog dagelijks mee. Al 60 jaren lang. Een paar jaren geleden is het dichtgeslibde aandrijfmotortje gerepareerd met wat omleidingen. Dat sjouwt weer wat makkelijker maar het is en blijft een kruiwagen. Mijn dagelijkse cowboy kruiwagen. Ik kan niet zonder hem. Welwaar! Ik jaag met hem nog altijd achter de hedendaagse boeven en veedieven om hun wandaden aan de kaak te stellen.
(C) |
 |
november 2001 |
|