Roffels 1.

Vanmorgen toen wij, mijn veel geprezen boxer "Lucky" en ik, met onze dagelijkse patrouille over het Pieterpad bezig waren hoorde ik plots een specht roffelen. Eerst van veraf en piano, maar met ieder stap in de goede richting geleidelijk aan fortissimo. De specht hamerde onregelmatig, korte en lange roffels. Ik ben een nieuwsgierig mens, zit altijd meteen met vragen: "Was deze Woody aan het klussen of aan het brunchen? Of was hij / zij bezig met een drum-mail in de categorie -Seizoenspartner gezocht - " Ik hield het maar op het eerste, want ik vond de roffels niet goed klinken. Ze liepen niet, ze waren te gehakt, te vierkant. Een amoureuze morse mail roffel loopt romantischer, denk ik. Ik heb verstand van roffels, nietwaar? Ik heb zelf geroffeld, welwaar! Lang geleden, in een fluit- en tamboerkorps! Juist, ik!

Ik was een jaar of 15. In ons dorp was die zomer een groot feest van het plaatselijke tamboerkorps. Tientallen pijperkorpsen uit binnen- en buitenland hielden ons dorp, die zomer twee weken lang, in de ban van de marsmaten, vliegende vaandels, slaande trommels en druipende fluiten. Alte Kameraden, de Manoeuvre mars, Turf in je ransel.
Na een paar dagen kon ik de melodieën meefluiten, maar die vreemde muzikanten fascineerden me veel meer. Duitsers, Belgen, Luxemburgers, zij kwamen van ver over toen moeilijk te passeren grenzen. Mijn nieuwsgierigheid won het van mijn verlegenheid, ik sprak hen aan. Ik vroeg hun de oren van het hoofd. Zij vonden dat best leuk, van velen kreeg ik de uitnodiging hen ooit te komen bezoeken. Dat zou ik zeker doen en ik meldde me zonder dralen aan als aspirant tamboer. Wat het makkelijkste te leren was wilde ik doen. Ik wilde, zo vlug als mogelijk was, mee op tegenbezoek in het fascinerende buitenland.

Die herfst en winter leerde ik dus roffelen, enkelslagen, dubbelslagen, vlamslagen en de combinatie van dat alles. Muzikaal noemt men dat trommelen, niet drummen. Dat doen a-muzikalen, dat lijkt op onweer. Ik was na een winter tamboer - had een oude, scheve trom, een eigen witte broek met zwart matrozenjasje en geleende platte pet. Ik voelde me opperbest, was gereed om het buitenland te verkennen en van mijn aanwezigheid, middels lange ronde roffels, kond te doen.
Eindelijk was het dan zo ver. Op een heel vroege zondagmorgen vertrokken wij het "Trommel en Fluitenkorps" naar Sint-Vith (België). Tegenwoordig een ritje van anderhalf uur. Toen, zonder autowegen, een reis van uren. Ik zou de eerste stempel in mijn eerste paspoort krijgen, een historische belevenis.

De Belgische douanier des Konings keek lang naar mijn pasfoto en naar mij. De fotograaf had mij slecht getroffen, vond hij. Zou hij mij de zo zeer begeerde toegang tot het koninkrijk der Belgen weigeren, wanhoopte ik.
"Of ik bonenkoffie bij me had?", wilde hij weten. Dat was toen een equivalent van goud. "Neen, alleen boterhammen met roomboter", vermelde ik veiligheidshalve waarheidsgetrouw.
Mitst normaal besmeerd en voor eigen gebruik mocht ik die invoeren. Indien echter een heel pakje tussen twee sneden brood zat moest dat aangegeven en vertaxt worden. Mijn boterhammen met Ardennerham werden geschouwd en ongeschikt bevonden voor vertaxing. Jammer dat ze tijdens die schouw op de vloer van de bus vielen. De Duitse herder van de Belgische douanier nam ze meteen, voor eigen gebruik, zonder dat daar enig protocol over opgemaakt werd. Mij bleef slechts de turf in mijn ransel voor de rest van de reis.

Sinds die tijd liggen Belgische, Duitse herders mij slecht op de maag. Ik hoef maar een Vlaamse hond met grijze ogen en een pruilende staart te zien of ik krijg een slap manoeuvre gevoel in mijn buik. Die hondse herinnering kunnen zelfs de oude maten van de Alte Kameraden niet uitwissen.



(C)

FvdB

juni 2001

email me mailbus van Frants van de Bareschjop terug naar het archief