Poezen.

De overlast door het vliegend gevogelte op ons bedrijf moest beëindigd worden. De vraag was alleen hoe? Rigoureuze maatregelen waren niet mogelijk. We schreven anno 1975, diverse milieupartijen en ander wollen sokkendragers schreven vaak minder vriendelijke stukjes over ons dagelijks werk in de krant. Chemie stond in een kwaad daglicht en was not done. Onze chef wilde niet dat hij onderwerp in een feuilleton werd. Daar was hij zoals altijd heel duidelijk in.
De oude baas van het lumineuze maïsborrel idee had een nieuw idee. Dat zou deze keer perfect werken, wist hij zeker. Alleen de chef en niemand van ons moesten zich er nog verder mee bemoeien. Als de nood hoog is, willen chefs wel eens doof worden, nietwaar? Welwaar! Juist, wij beloofden hem een standbeeld op het gazon in het grote plantsoen, wat een fantastische collega was hij toch. Onze eindejaarsuitkering was nu zo goed als veilig gesteld. Mocht het geheim toch nog mis gaan, dan wisten wij zeer zeker van niks. Niemand van ons wilde er überhaupt iets van weten. Niet mondeling en niet schriftelijk. Niet horende of ziende. Zelden is een privé geheim zo'n algemeen geheim geweest.
Föns, onze gewaardeerde collega, werd een zeer geprezen man. Meermalen dagelijks bejubelden wij zijn kwaliteiten. Hij bleef zeer bescheiden. Wat ons opviel was dat hij wel vaak praatte over zijn stokpaardje, het dierenasiel waarin hoognodig wat ruimte gemaakt moest worden. Wat ons na een tijdje ook opviel was dat hij 's middags in de kantine, vaak pakken melk kocht en daarmee in de bosjes op het plantsoen verdween. Niemand die er over peinsde hem hierover aan te spreken, het geheim moest geheim blijven.
Na een tijdje viel het ook op dat er regelmatig stoffelijke resten gevogelte verschenen. Altijd een restje verenpak. We zagen ook wel eens een stropende poes op een leidingenbaan. Iemand trof een nest kittens aan in een schakelruimte. Ontdaan meldde hij dat een blazende poes zijn werkzaamheden gestoord had.
Ook voor onderzoekers is een en een twee. Hier zat onze Föns achter, was hij bezig met de natuur een handje te helpen het natuurlijk evenwicht te herstellen? Niemand wilde het weten, want degene die het wist moest naar de chef en de chef was ouderwets, die bracht de brenger van de slechte boodschap om. We beperkten ons tot het beperken van de schade en ruimden zo clean and quick als maar mogelijk de rondslingerende veren op.
Dit duurde zoiets een jaar. De populatie vliegers nam beduidend af. De chef betuigde in zijn Nieuwsjaarrede zijn erkentelijkheid voor de bereikte resultaten en gaf bijzonder hoog op van het vertrouwen dat hij in ons stelde. De bedreiging, indien dat beschaamd zou worden, droop er vanaf. Bij de meer gevoelige naturen begonnen toen een chronische migraine.
De klapper kwam toen korte tijd daarna een wachtelektricien in een schakelruimte weer poezen aantrof. Hij meldde officieel een incident. Op dat moment hing de poes letterlijk in de gordijnen. Onze chef blies als een kater. Hij beloofde ons te hangen. Tientallen loslopende krolse katten op een gerespecteerd research instituut met wereldfaam. Dit kon hem zijn reputatie kosten, of de heren daarvan doordrongen waren? De heren waren er zeer van doordrongen, bijna allemaal hadden we elders meerdere sollicitaties lopen.
Onze chef eiste een snelle oplossing, binnen een week het bedrijf kattenvrij of hij deed het zelf en had ons niet meer nodig. We belden alle dierenasiels in de omgeving. We vonden na veel gedram, gesmeek en dreigen gehoor voor ons probleem. Men was bereid de katten te vangen en af te voeren. Uiteindelijk viel dat nogal mee. Die mannen waren professionals en binnen een paar dagen zaten alle poezen opgeslagen in kooien, wachtend op vervoer naar de diverse dierenasiels.
Toen iedereen opgelucht dacht dat het karwei geklaard was gooide de bureaucratie nog bijna roet in het eten. We hadden geen afvoerbewijs voor de transporteur. Je kunt alles bij de portier binnenbrengen maar je krijgt niks de poort uit zonder geldig afvoerbewijs. De portier was onverbiddelijk, de poort bleef dicht.
De transporteur was iemand van weinig woorden - hij belde één keertje - iemand van ons. Mij trof dat ongeluk. De man vertelde rustig dat hij nog vijf minuten wachtte en dan vertrok, zonodig zonder vracht. Ik was razendsnel, raasde naar de portiersloge, duwde de portier aan de kant en drukte op de knop "OP " van de slagboom, net zo lang tot die helemaal open was. Ik vloekte en raasde en schold de portier uit met alles waarmee ik dacht dat het tijd kon rekken.
Na een kleine eeuwigheid vertrok eindelijk die transporteur. Ik had de portier heel wat uit te leggen en veel excuus aan te bieden. Mijn geluk was het dat hij een duivenmelker was, hij had altijd genoten van zijn arme duifjes op het terrein. De geschiedenis is als de mode, ze herhaalt zich steeds, nietwaar? Welwaar!




(C)

FvdB

maart 2001

email me mailbus van Frants van de Bareschjop terug naar het archief