Modder.
Limburgse klei, löss genaamd, is zwaar - vettig en glad, je kunt er bij wijze van spreken met wat oefening en een beetje goede wil baantje in glijden. Vooral in deze tijd van het jaar is het betreden van nog onbetreden paden een glibberige glijpartij. Mijn dagelijks marsen over het Pieterpad gaan dan wel steeds over een ander stukje parcours maar een portie glibberen en glijden staat continue op de rol, omdat het gewoon niet te vermijden valt. Afhankelijk van wat ik wil, pas ik mijn uitrusting aan. Soms een fotocamera, soms een verrekijker, wat fruit en drinken als het lang gaat duren.
Gisteren was de bedoeling lang. Mijn outfit was erop aangepast en aan de maat. Regendichte kleding en idem hoog schoeisel. Ik weet de weg blindelings, zelfs in het donker zou ik niet verdwalen. Was dus niet voorbereid toen ik ergens in het niemandsland verdwaalde Pieterpadlopers zag dwalen. Ik ben nieuwsgierig en visueel ingesteld dus bekeek ze een tijdje vanaf mijn heuvel, vier mannen - grijze tijgers - ongeveer dezelfde leeftijd als ik. Raar uitgedost voor deze omgeving. Gekleed in chique broeken en trendy coat van Schotse ruit, schattige gleufhoedjes, dure grote paraplu's. Ze leken besluitloos, wezen met onzekere gebaren in het rond, dwarrelden voor- en achteruit, naar links en naar rechts. Die zijn de weg kwijt vermoedde ik. Ik wilde ze best helpen maar had geen zin om die glibberige heuvel af te dalen dus floot een paar keer hard op mijn vingers. Lucky, mijn boxer, keek me eens raar aan: "Ik sta toch hier naast je" kon ik van zijn snuit aflezen, "waarom maak je zo'n kabaal?"
De mannen hadden me nu ontdekt en maakten gebaren dat ik naar hen toe moest komen. Ik zag dat voorlopig niet zitten en wenkte, op mijn beurt, uitnodigend naar boven. Het was hun probleem en ik moest voorkomen dat het in mijn eigendom overging. Na wat heen en weer gewuif besloten 50% van hen de gang naar boven te wagen. Dat liep niet erg goed. Al meteen ging een mijnheer door zijn enkel en smakte op zijn knieën. Zijn schattig gleufhoedje waaide weg, in de prut naar beneden. Zij dure paraplu, die hij als wandelstok gebruikt had, was gebroken. De andere mijnheer deed een dappere poging zijn makker weer vlot te trekken. Samen stortten ze een moment later op onze Limburgse aarde. Dit is onze zachte Limburgse natuur overpeinsde ik, dat went wel na een poosje. En zie, na wat gestuntel en gekluund stonden de heren weer, meer of minder schuins tegen de helling en begonnen ijverig hun tenue schoon te maken. Ik had de tijd, viste mijn lichtgewicht klapstoeltje en een appeltje uit mijn pukkel en betreurde het feit dat ik geen camera bij de hand had. Het zou een paar leuke kiekjes hebben opgeleverd.
De heren vonden dat ze nu weer schoon genoeg waren om bezocht te worden en gebaarden opnieuw dat ik naar hen toe moest komen. Mijn antwoord was ook weer een herhaling, naar beneden gaan was zinloos. Er was maar een uitweg uit die modderpoel en dat was naar boven. Dit herhaalde zich een paar malen, waarschijnlijk indachtig de gedachte " de aanhouder wint". De wil om te winnen straalde waarschijnlijk van mij af want na een poosje besloot weer 50% van die twee heren de weg naar boven te maken. De ander voegde zich bij zijn makkers beneden.
Na enkele slecht geslaagde valbreekoefeningen kwam deze heer zeer geteisterd boven aan. Zijn outfit was reddeloos verloren zag ik. Die kon zelfs niet meer te geef naar Roemenië. "We zijn de weg kwijt geraakt!". De man maakte verlegen zijn geheim bekend. Ik haalde uit mijn binnenzak een klein zakagendaatje en gaf hem dit zwijgend met het kaartje van Europa opengeslagen. Hij kon het niet erg waarderen, lachte als een boer die kiespijn had en vroeg of ik hier bekend was. Ik ben hier zeer bekend antwoordde ik, alle boeren die hier land hebben kennen mij en mijn hond. Ik bood hem een appeltje uit mijn pukkel aan. Hij zag mijn mobieltje in een zijvak. Op de langere routes neem ik dat mee, als Lulu me dan wil vertellen dat ze nog veel van me houdt, is dat in ieder geval niet onmogelijk. Ik bel haar soms ook wel eens, of er post is en zo ja welke. Afhankelijk van de afzender loop ik dan nog een perceeltje om of niet.
"Hé dat is enorm", zei de man. "Kun jij een taxi voor ons bellen? Onze telefoon doet het niet meer". Dat klopt wist ik, hier moet je het Duits netwerk gebruiken, de kaarttelefoon van Ben laat het hier afweten. "Hoe had je dat gedacht?" vroeg ik van mijn stuk gebracht, die Hollander was beslist niet goed wijs. Hoe dacht hij dat hier een taxi kon komen, laat staan dat ik kon vertellen waar wij dan wel precies waren, deze modderpaadjes zijn maar tijdelijk en niet getopografeerd. "Hier kan hooguit een boer met een hovercraft komen", merkte ik op. "Jullie zullen met de benenwagen moeten".
"Mijn vrienden zijn erg moe" zei de man, "en wij zijn doornat en erg koud, we houden het niet lang meer vol. Wil jij dat op je geweten hebben?" "Jemig, nou bak je ze wel erg bruin, repliekte ik. Jullie lopen hier uitgerust als voor een dagje Valkenburg aan de Geul rond en daar zou ik me schuldig voor moeten voelen. Ik wil jullie best helpen, maar dan op mijn condities, nietwaar?" De man wist niet wat hij antwoorden moest en daarom zei ik maar "Welwaar" en daarna ook nog "Juist".
"Je vrienden moeten hier naar toe, naar boven. Daar beneden gaat het niet verder in deze tijd van het jaar". Een kwartiertje later was alles boven, deerlijk gehavend en besmeurd met modder. Kostbare leren handschoenen konden inmiddels tot grote pret van Lucky ook total loss verklaard worden. Zulk kostbaar speelgoed had hij nog nooit gehad. Namens hem dank aan onze Limburgse löss.
Tot overmaat van ramp ging het nu ook weer gieten en waaien. Hun dure paraplu's bewezen zich als waardeloos. Ik marcheerde, in mijn Boerenbond outfit een kwartiertje op kop speedmars, toen nummer een aankondigde dat hij niet langer meer kon. Hij zag er erg ontluisterd uit. Hij moest ook uit de broek en er was geen toilet. Nooit meer zou hij een poot in Limburg zetten, zelfs er geen wind meer laten. Dat was erg jammer vond ik. Hij deed mijn dierbaar land nu echt te kort.
Ik besloot Lulu te bellen. In steno vertelde ik haar in wat voor minder benijdenswaardige positie ik verkeerde. Zoek mij het nummer van boer die en die op in het telefoonboek, verzocht ik haar. Eventjes later had ik die boer aan mijn KPN spriet. Alweer dat moeilijke verhaal twee tot drie keer geduldig moeten uitleggen. Ten langen leste en nadat hij mijn vondelingen persoonlijk klagen gehoord had geloofde hij mij, hij had dit nog nooit meegemaakt. Enfin hij zou naar de plek komen, die ik hem kon uitleggen. Ik vertelde de mannen dat we nog een kwartiertje moesten doorstappen om op die afgesproken plek te komen. Ik hoopte maar dat de boer die ook zou vinden. Enfin dit konden ze nog net opbrengen, andere keus was er niet.
Na een dik half uur kwam de boer. Met een tractor met dubbele banden en een bietenwagen voor het personenvervoer. Mijn vondst dirigeerde ik op de bietenwagen. Zelf kroop ik met mijn dierbare boxer bij de boer op de tractor. Lucky met zijn 37 kilo op mijn schoot, zijn voorpoten stevig om mijn hals geslagen. Zelden heeft die hond zo dom gekeken, zelden heeft hij zo gemeen tegen mij gegromd. Kun U zich dit beeld voorstellen? Een giller nietwaar? Welwaar!
Waar kan ik jouw oogst afzetten vroeg de boer? Breng ze maar naar het station in Sittard, kon ik hem vertellen. Ze hebben een NS dagtochtje voor onze wandelroute en ze zijn eventjes uit de wereld gelopen.
Ik heb al veel rare gezichten gezien echter nooit zoveel als toen we dit komische vrachtje voor het station losten. Zelfs een politie surveillance stopte en wilde precies geïnformeerd worden. Aan haar gezicht zag ik dat sergeant Pepper me niet geloofde. Waar heb ik dit aan verdiend?
(C) |
 |
feb. 2001 |
|