Woensdag 2

Alvorens wij cowboys op de vrije woensdagmiddag het roemloze en oervervelende tijdperk van oude verf afkrabben moesten betreden, hadden we vaak een huzarenstukje van moed afgelegd. Arendsoog (onze schele aanvoerder) die met kop en schouders boven ons uit stak was degene die het onderwerp bepaalde of het object selecteerde. Hij deed alles een keer voor, daarna waren wij aan de beurt. Hem overtreffen was link, kon represailles oproepen. Dat was niet verstandig. Het slimste was gewoon het verlangde kunstje uitvoeren en minder dan hem presteren. Weigeren betekende lafheid bekennen en dat was meteen de uitsluiting, verbanning. Dat was heel erg. In de klas - tijdens de wekelijkse catechismusles van mijnheer pastoor voor het bord op de knieën - straf zitten omdat je met de mond vol tanden zat tijdens de catechismus afvragen, was een uitje in vergelijking met verbanning uit de cowboys.
Mislukking daarentegen leverde veel gelach bij de anderen en hun welwillende sympathie op. Je was dan immers geen bedreiging. Ik ben nooit een bedreiging geweest, voor niemand. Om mijn loyaliteit te tonen was ik al een paar keer midden in de beek gesprongen. Bij de tweede keer, toen ik een klomp niet meer uit de modder kon krijgen, was bij mij daar wel het leuke van af. Mijn vader had in zulke situaties een voorspelbare hardhandige aanleg en ook nog additionele harde eelt. Dolle pret voor de anderen was dubbele pech bij mij. Zo zie je maar weer dat de een zijn lol de ander zijn noodlot is. Nietwaar? Welwaar! Juist, een aantal spreekwoorden hadden hun perceptie op de woensdagmiddag, weet ik zeker want ik was er bij, erger nog was er deel van. Zo ook met stierenvechten.

De stier die bevochten moest worden was de geit van de Vrolingsen. Opa en oma Vrolings hadden een taaie geit. In de strijd om het dagelijks bestaan, tijdens de oorlogsjaren, had Sophie haar steentje bijgedragen. Zij had het beste gegeven dat zij te bieden had. Menige nazaat van haar was geweckt geëindigd in de weckglazen om zo voor en na de ergste honger van de familie te stillen. Nu sleet ze haar oude dag aan een sleets touw voor het huisje, was het gemelk aan haar uier beu en had gemelijke karaktertrekken gekregen. Trottoirs bestonden toen nog niet. Opa Vrolings had gras en klaver gezaaid in plaats van tegels gelegd en Sophie maakte via een inwendig chemisch proces, van deze alternatieve bodembedekker, melk.
Als chemicus heb ik haar recept nooit kunnen doorgronden. Als ik dit wel had gekund, zat ik hier nu niet sentimentele memories op te halen, maar verpoosde waarschijnlijk als een verjongde sprookjesprins op mijn jacht aan de Rivièra. Compleet met een stal jonge geitjes. Want dankbaar zou ik uiteraard ook zijn. Weelde kun je niet genieten zonder dankbaarheid jegens de gulle gever, stel ik me voor. Daar berust ons nationale incasso bureau, via de blauwe enveloppen, ook op. Kijk maar eens hoe dankbaar o. a. de familie van Oranje is, als ze zich onder de gulle schenkers begeven. Ik kan daar nu in meevoelen. Ik voel nu ook de drang om naar het GAK te wuiven als ik er voorbij rij.
Wat mij nu nog aan Sophie herinnerd is slechts pijn. Pijn in mijn onderrug. Ik voel het nog, bijna iedere woensdagmiddag. Want zij had het op mij gemunt, de kleinste, de dapperste, dus de onnozelste.

Sophie was met een touw aan een pin gekluisterd. Als zij maar lang genoeg en hard genoeg trok kwam die pin uit de grond en ontstond er een probleem voor ons. Wij porden beurtelings (net buiten kopafstand) met onze vuistjes tegen de horens van Sophie. Sophie probeerde dan op haar beurt die vervelende lastposten overhoop te bokken en rukte daarbij hard aan haar ketens. Zodra de pin gevaarlijk uit de bodem begon te rijzen was het tijd afnokken geblazen. Zo ook die woensdag weer. Alle matadores hadden reeds het hazenpad gekozen en wachten op veilige afstand de aanstaande loop van Sophie af. Ik dacht dat ik nog een porretje bij Sophie kon plaatsen. Dat was dus misgedacht. Sophie rukte zich los en had al meteen het voordeel van een vliegende start. Ik moest eerst nog schakelen en keren. Sophie had mij binnen vijf meter voor de horens en verkocht me een kopstoot van jewelste precies op de grens van lenden- en staartbeen wervels. Ik voel het nu nog nadreunen op de woensdagmiddag.



(C)

FvdB

jan. 2001

email me mailbus van Frants van de Bareschjop terug naar het archief