Kompel 7.
Het badlokaal, het station van de dagelijkse reclassering of de transformatie van mijnwerker tot mens?
Nu, vele jaren later, denk ik dat wij mijnwerkers toen dubbele persoonlijkheden hadden. Ondergronders en bovengronders.
Als ondergronders leken wij op duivels, zwart, boosaardig door de barre omstandigheden, grof gebekt uit lijfsbehoud.
Als bovengronders waren wij normale mensen, leuk en prettig in de omgang, sociaal bewogen. Uitleggen waarom kan ik niet, alleen constateren dat het
zo was. De transformatie begon zodra je vuile kleren van het lijf waren. Vaak zocht je blik dan onbewust het daglicht op dat door de ramen in het dak
viel. Gelukkig de wereld was er nog. Normale dingen konden weer doorgang vinden.
Tot ongeveer een leeftijd van 40 jaar kon je in de pijler mee. Daarna werd dat te zwaar en kreeg een mijnwerker ander werk, meestal iets in het
onderhoud of de materiaalvoorziening. Dat was minder zwaar en hectisch. Met 55 jaar werd je gepensioneerd. Niet iedereen haalde dat. Menigeen
was dan al afgekeurd of erger, rustte vervroegd uit in de eeuwigheid.
Wij kregen ook zo'n oudere in de ploeg en dus ook bij ons hoekje in het bad. Hij was de nieuwe lader van onze kolenwagens. Hij heette Joep, in ons
bargoens "d'r Jupp".
Hij was voor de dienst altijd de eerste in het bad en na einde dienst de laatste.
Waarom?
Hij stal onze boterhammen!
Waarvoor?
Voor zijn konijnen!
Godju ... !
Bij het wisselen van je plunje, zat je altijd met je boterhammen, die moest je ergens neerleggen. Hij was meester in het dan laten verdwijnen van
lunchpakketten.
Hem op heterdaad betrappen was moeilijk. Ontdekken dat je boterhammen verdwenen waren betekende meestal bij een kompel een boterhammetje
vragen. Mijnwerkers corrigeerden wel altijd afwijkend gedrag, vroeg of laat zou hij gestraft worden. Dat was een ondergrondse zekerheid en die zou
hij gekend moeten hebben.
Wij speelden zijn spelletje mee. We lieten hem reserve pakjes boterhammen jatten. Spraken met hem schande over die stelende buitenlanders.
Vroegen hem uit over zijn konijnen, hemelden zijn fokkunst op tot in den hoge.
Iedereen ging ook zogenaamd konijnen fokken en vroeg hem om deskundig advies.
Hij trapte erin.
Iedereen die dat wilde mocht zelfs een lievelingsfoto van een konijn bij hem uitzoeken.
Wij bewaarden die als dierbare relikwieën in onze beurs.
Zijn Hansies groeiden met de dag. Per week kregen we hun gewicht door.
Wij schreven dat met geel vetkrijt in een matrix groot op een muur in het bad met de vermelding dat het, tijdens het zondagse badspuiten, niet
gewist mocht worden.
Argeloos schepte hij verder op. Met de kerst zouden een aantal "knieng in 't soer" (konijnebout) bij hem op tafel verschijnen.
Hij had drie dochters met aanhang. Hij zou die jongens laten smullen. Daar zouden wij te zijner tijd nog nader over geïnformeerd worden.
Een week voor de kerst kwam hij op een kwade morgen onthutst en laat in het bad. Al zijn konijnen waren 's nachts gestolen! Welke onmens kon hem
dat gelapt hebben, klaagde hij.
Dezelfde buitenlander, die onze boterhammen steelt, vermoedden wij collectief.
Hij beaamde dat zeer gefrustreerd, iets anders bleef hem niet over.
Die dag reden er ondergronds honderden kolenwagens rond waarop met krijt geschreven stond dat de konijnen van d'r Jupp geklauwd
(gestolen) waren. Machinisten en vervoerregelaars schreven hun vingers krijtwit krom.
Hun konijn-lijke koosnamen, d'r Hanzie, das Sjengske, d'r Joepie, 't Frenske enz. waren vet vermeld evenals hun signalement en
geschat bruto gewicht.
Kolenwagens gaan zodra ze vol zijn via de schacht naar boven, rijden daar een rondje waarbij ze in een kantelmechanisme geleegd worden. Vervolgens
worden ze met materialen voor ondergronds, bv hout of stutmateriaal, beladen en gaan weer naar beneden. Via dit rollend communicatiemiddel wist
dus binnen een dag de hele bezetting van de SM. Hendrik dat de konijnen van onze Jupp ontvoerd waren.
Ieder jaar liet de mijndirectie met kerstmis een grote kerststal in de loonhal (soort aula) plaatsen. Daar werden manshoge beelden voor
gebruikt en metershoge kerstbomen. Ook dat jaar stond er weer zo'n Ponderosa.
De dag later, wij waren net boven gekomen en lagen op de tegelvloer van het bad van ons paffie te genieten, komt iemand het badlokaal binnengestormd
en verkondigt luidkeels dat een heel roedel konijnen op de Ponderosa gesignaleerd is.
Onze Jupp was niet meer te houden en hoewel het ongewassen betreden van de loonhal streng verboden was vloog hij zwart als een nikker en natuurlijk
spiernaakt de loonhal in. Een daar aanwezige mijnagent stuurde hem terug ... nadat hij hem een ruime blik op zijn lievelingen gegund had.
Als echte kompels gingen we met hem douchen, poekelden zijn oude rug.
Hij was door het dolle heen, het duurde hem te lang.
We lieten hem extra lang wachten door zijn rug niet helemaal te wassen, de zeep te laten vallen en zijn handdoek te verdonkermanen, maar samen
gingen we uiteindelijk de loonhal in om een en ander te aanschouwen.
Een honderdtal pottenkijkers stonden inmiddels, quasi toevallig, de konijn-lijke kerststal te bewonderen.
Joep ging meteen naar de mijnagent die nu ook weer kwasi toevallig bij de kerststal stond.
"Dat sind mien kniën menhier de plies" (agent), zei hij, "die höbbe ze mich geklaut, die num ich weer mit!"
Dat ging zomaar niet, of hij aangifte had gedaan? speelde de agent het spelletje mee.
Neen, maar het waren zijn konijnen, dat wist iedereen.
Of hij dat bewijzen kon wilde de agent weten.
Neen, dat niet, maar het waren zijn konijnen en dat wist toch iedereen. Dat was voldoende bewijs, vond hij.
Toen waren wij aan de beurt. Het waren namelijk onze konijnen en we konden allemaal een fotootje laten zien waarop zo'n Vlaamse reus was afgebeeld.
Dat was voor de agent het bewijs dat de konijnen niet van d'r Jupp, maar van ons waren.
In menige familie stond dat kerstfeest, gedeeltelijk zelf gevoederd, konijnebout in het zuur op de tafel.
Raar maar waar, die buitenlanders hebben nooit meer onze boterhammen gestolen. Snap je dat?
(C) |
 |
dec. 2000 |
|