Kompel 4.
Waarschijnlijk was het toch iets erger met onze hoofdopzichter dan het gisteren had geleken. Hij was in ieder geval niet komen opdagen, had een paar
dagen vrijgenomen. Ik vermoedde dat hij mij van op afstand beschermde want ik hoefde me nog nergens te melden om verantwoording af te leggen.
Argeloos liep ik dus in de val, die een minder vriendelijke opzichter voor mij gezet had. De ondergrondse hiërachie was gebaseerd op
kontenkruiperij naar boven - en afknijpen naar beneden. Daardoor was het lotgevoel in de horizontale functies zo bijzonder groot.
Ik trof een onmens aan. Hij was opzichter geworden zonder diploma's, dus met hielenlikken. Hij dacht zijn positie nog te kunnen verbeteren door mij
af te zeiken, sorry anders kan ik het niet benoemen en zich bij zijn superieuren in een goed blaadje te werken.
We moesten een opbraak (ondergrondse blinde schacht) gaan uitloden. Drie schachtschietloden (10 kilo/stuk) moest ik
daartoe in mijn draagtas stoppen, gebood hij. Bovendien moest natuurlijk een waterpasinstrument en een statief mee.
Op welke verdieping we moesten zijn informeerde ik, ik moest het vriendje van mijn zus voor een fiets bellen.
"Niks fiets", commandeerde hij, "we lopen naar de Feldbiss".
Shit, dit was een beroerde afdeling. Het verst verwijderd van de schacht van de en dus ook de warmste.
"Dat kan ik allemaal niet dragen", protesteerde ik. "Waarom gebruiken we ter plekke niet gewoon een paar flinke stenen?"
Dat was gebruikelijk, schachtschietloden werden om hun lomp formaat en gewicht nooit meegenomen.
Hij sprong van woede bijna uit zijn vel, wat ik me wel verbeeldde, gisteren de hoofdopzichter op een locomotief geknald, nu een grote mond tegen hem
en hoorde hij het goed, weigerde ik werk? Op werk weigeren stond ontslag op staande voet. Ik besefte hoe de haas ging huppelen. Okay, ik zou me wel
aanpassen.
We gingen naar beneden naar de 700 zoveel meter verdieping, benauwd en erg nat. Toen we van de kooi af waren gaf hij zijn laatste instructies.
Achter hem lopen en mond houden, zoniet bracht hij me persoonlijk naar boven, tot voorbij de portier. Zonodig zou hij me zelfs breken.
Gewone ondergrondse taal. Voor mij langzaam te veel, ik had de buik vol. Ik was toen 20 jaar en had mijn trots. Breken was een apart verhaal. Die
handschoen raapte ik bewust op. Nog voor we de laadplaats uit waren had ik de drie schietloden uit mijn draagtas gehaald en op daar geparkeerde
kolenwagens gedeponeerd. Zo, dat was dan geregeld, ik kon hem bijhouden en zou hem bestrijden.
De speedmars duurde één uurtje. Tot mijn voldoening zag ik dat hij na een tijdje ook flink dampte. Bij de opbraak aangekomen, die we
zouden uitloden ontdekte hij dat ik geen schietloden meer had. Hij kreeg een nieuwe woede aanval en zei de litanie van alle ondergrondse heiligen op.
Ik hield me heel onnozel en vermoedde schijnheilig dat ik ze ongemerkt verloren moest zijn. Het was ook een moordend tempo geweest dat we gelopen
hadden, verzekerde ik hem en als hij er prijs op stelde ging ik terug om ze te zoeken ... .
Hij kreeg nog amper lucht en ging pas na enkele seconden verder met me uit te vloeken, probeerde me te provoceren. Ik bleef vriendelijk en
onnozel, de enigste manier om te overleven en te winnen.
Schijnbaar zag hij in dat zijn manier van optreden niet veel opleverde. Hij ging het anders proberen. Kalmer zei hij dat ik via de ladders naar boven
moest klimmen, meer dan 65m, en hem met de liftinstallatie moest ophalen.
"Ik ben niet bevoegd omdat ik niet geïnstrueerd ben", pareerde ik.
"Ik instrueer jou hier ter plekke", zei hij "en dan voer je mijn opdracht uit?"
Ik had al eens eerder in de schachtbouw gewerkt en wist heel goed hoe je een lier moest bedienen, echter officieel mocht ik het niet. Ik kreeg een
plan, als hij doorging zou het hem opbreken.
Dominant legde hij me uit hoe ik de ophaalinrichting boven, moest bedienen. Hij stond volkomen in zijn recht, zijn instructie was rechtsgeldig, ik mocht
niet weigeren zijn opdracht uit te voeren.
Ik klom naar boven en floot vijf maal met de seininstallatie toen ik gereed was om de kooi te laten zakken. Hij floot, even later op zijn beurt, twee
maal dat ik hem kon ophalen. Ik zette de rem los maar gaf tegelijk niet genoeg lucht naar de motor om de kooi op te halen. Ik wist dat de kooi nou
langzaam een paar meter weg zou zakken, de zomp (soort kelder) in en die stond vol met dikke modder.
Toen corrigeerde ik mijn fout, gaf vol lucht en trok hem met een rot vaart naar boven.
Hij lag voor half dood op de vloer van de kooi, zijn mooi wit pakkie pikzwart van de dikke vette kolenprut. En ... - grote god - het waterpasinstrument
was ook spoorloos verdwenen, als dit zo doorging viel binnenkort niks meer te waterpassen. Behalve het wit van zijn ogen schitterde niets meer aan
hem.
Ik hielp hem heel behulpzaam overeind en verontschuldigde mij uitgebreid voor mijn onhandigheid, want het was ook pas de eerste keer dat ik ... . Ik
bood aan, hem met een brandblusser schoon te spuiten zodra hij weer een beetje bij zijn positieven was.
Dat mocht niet dat deed hij zelf wel. Ik verwachtte een nieuwe woede uitbarsting, die bleef uit. Zwijgend deden we het werk waarvoor we gekomen
waren. Ik vertrouwde hem niet, ik zou hier niet zonder kleerscheuren weg komen.
Dat bleek dan ook boven. Ik stond te douchen toen een agent van de mijnpolitie mijn naam riep. Inderdaad, de Nederlandse Staatsmijnen hadden
een eigen politiedienst. Deze was precies hetzelfde gekleed en bewapend als de gewone politie, had alleen een ander embleem op de pet.
Ik moest mee voor verhoor.
Gelukkig kon en kan ik misschien nog in noodsituaties als dergelijke, liegen als de beste. Ik ontkende de opzet die me ten laste werd gelegd, het was
allemaal onhandigheid en het eind van het verhaal was dat men mij na een half uurtje weer liet lopen. Wel kreeg ik een aantekening op mijn
conduitestaat wegens onbehoorlijk gedrag. Mij een zorg, ik wilde niets meer met de SM. (Staatsmijnen) te maken hebben, ik ging weg. Voor mij
geen "Glück Auf" meer.
Over een tijdje zou ik altijd schoon boven zijn en blijven.
(C) |
 |
nov. 2000 |
|