tek. Jef Caenen (met toestemming van zijn weduwe)

Kompel 3.


Mijn accu, die de stroom voor mijn petlamp leverde, was beschadigd en had gelekt. Treurig gevolg, mijn kont was verbrand. Ik had er helemaal geen erg in gehad. Eerst had het wat gejeukt. Toen het ging steken was ik naar de kompel boven mij gekropen en had hem gevraagd mijn tabernakel te inspecteren.
"Er hangen wat velletjes los" zei die droog. "Jou zien we voorlopig hier niet meer terug".
Dat vond ik niks erg. Ik sproeide een paar maal mijn achterste met een waterstraal en na einde dienst en het douchen toog ik vol verwachting naar de verbandkamer. Een paar weekjes rond kuieren in het zonnetje was wel de minste therapie die ik verwachtte.
Die zogenaamde verbandkamers, iedere mijnzetel had er een, waren voor die tijd heel goed geoutilleerde medische centra. Ze waren continue bemand met z.g. mijnartsen en verbandmeesters. Er stond röntgen apparatuur en men kon bloedonderzoek doen. De Staatsmijnen wisten toen al dat ziekteverzuim erg duur was, dus medische hulp en verzorging stonden hoog in hun vaandel. Veel particulieren zochten soms een smoesje om in de verbandkamer geholpen te worden. Waren ze verzekerd van goede hulp, meestal beter dan die van hun eigen huisarts. Hulp werd altijd geboden als het een ongeluk betrof. Met ziektes kon je er niet terecht.
In de verbandkamer had ik een tijdje voor joker (diep gebukt) gestaan. Eerst was mijn allerheiligste lang bekeken, daarna met een koud makend mengsel gekoeld en en met een geurend zalfje (Purol) gezalfd. Vervolgens moest er naast mij nog eerst een gebroken vinger gegipst worden.
Uiteindelijk kwam de mijnarts tot dezelfde diagnose als de conclusie van mijn kompel. Helaas werd aan mijn verwachtingspatroon te kort gedaan. Ik kreeg geen vrij om eens lekker uit te kuren. Neen, ik moest iedere dag terugkomen voor een schoon verbandje en een trekzalfje en ik kreeg een briefje voor "Geschikt werk" !
Ik heb in mijn drie ondergrondse jaren eigenlijk nooit goed begrepen wat geschikt werk betekende. Je had het in diverse vormen. Werk voor alleen de rechtse of de linkse hand. Werk zonder te bukken of te tillen, onmogelijk voor te stellen ondergronds.
Eigenlijk ook weer niet zo verwonderlijk, want met mijn verstand was het precies als met mijn verstandskiezen, ze zijn pas met de jaren gekomen. Alhoewel, ze bij sommigen slechts gedeeltelijk of soms zelfs helemaal niet verschijnen, heb ik me laten vertellen. Sorry, ik gleed weer even weg. Komt waarschijnlijk van het mijngas.
Op kamer 48, waar ik me moest melden met dat geschikte briefje, oordeelde men dat ik me bij de mijnmeters heel nuttig kon maken. Ik wist wat meetkunde was was de motivering. Mijnmeters deden ondergronds hetzelfde als landmeters bovengronds, wist ik.
Nieuwe ervaringen en dus ook nieuwe aanvaringen met nieuwe mensen lagen in het verschiet.
Het ondergronds wereldje zat boordevol rangen en standen. Iedere stand had zijn eigen privileges, voorkeuren, afkeuren en gebruiken. Mijnmeters scoorden erg hoog snapte ik al meteen. Mijn stand, die van kolensleper, was erg laag werd mij fijntjes duidelijk gemaakt. Dat was mij volkomen duidelijk. Ik zou me maar snel aanpassen was de duidelijke raad. Dat was geen probleem, aanpassen kon ik als de beste, dacht ik.
Begonnen wij (de kolenhouwers) de dagdienst ’s morgens om 6 uur en werkten tot 14 uur, de mijnmeters gingen pas om 8 uur naar beneden en waren meestal om 13 uur weer boven. Ze hadden een aantal geaccepteerde smoesjes waarmee ze dit verkocht kregen. Werden wij kolenhouwers in bedompte personentreintjes naar de afdeling gereden, mijnmeters maakten bij voorkeur gebruik van mijnfietsen, een voertuig dat op een fiets leek en dat over het mijnspoor reed. Twee mannen naast elkaar die trapten en dan kon er voor en achter nog een pief op een plank zitten.
En dat was hun probleem, er waren niet genoeg mijnfietsen. Ik greep mijn kans ik kon me hier populair maken. Mijn zus had namelijk pas zo iets als verkering, met een assistent van de ondergrondse vervoerregeling. Juist, die regelaars beheerden ook de mijnfietsen. Ik kon die aardige jongeman zodanig onder druk zetten dat ik iedere dag ergens een fiets kon krijgen. Ik werd enorm populair bij mijn nieuwe meters en dat is erg plezierig in het leven.

Men vocht om het zo maar eens uit te drukken om mijn talenten. Ik was enorm handig in het mijnmetersvak, prees men mij. Als ik al eens door een waterpasinstrument keek stond alles op zijn kop, ik begreep er niks van was de simpele waarheid.
Een van onze oppermijnmeters kreeg lucht van de fietsenmanie en ik mocht hem voortaan op zijn korte, wekelijkse tripje ondergronds vergezellen. Hij moest namelijk iedere maand een paar uren ondergronds vertoeven om zijn aanwezigheidspremie voor de hele maand binnen te halen. Met zijn overigens vorstelijk salaris van hoofdopzichter kon hij dit echt niet laten lopen. Verder was hij een hele goede snuiter onder die rare snuiters want hij had zoiets als menselijke gevoelens bewaard!
Enfin het ging een paar keer heel goed met ons. Ik ging om 8 uur naar beneden, haalde hem om 10 uur met mijn riksja op bij de schacht en bracht hem ergens naartoe waar het lekker rustig was en niet te warm. Hij controleerde dan volgens zijn zeggen bepaalde ingewikkelde berekeningen. Ik zag dat die in de krant stonden en hield mijn domme snavel. We aten een boterhammetje, hij dronk uit mijn blik - wat ik als een enorme blijk van waardering ervoer - hij keuvelde wat over zijn kleinkinderen en om 13 uur ging meneer de hoofdopzichter naar boven met een gepast, escorterende mij in zijn kielzog.
Ik prees de dag dat mijn accu gelekt had en maakte me zorgen om het voortvarend herstel van mijn achtersteven. Bij deze jongens kon ik heel oud worden en overwoog om op de eerstvolgende vacature te solliciteren. Moest alleen nog van mijn zusje weten of het menens was of niet met die aanstormende vervoerregelaar.
Na een paar malen tot wederzijds genoegen met elkaar goed samengewerkt te hebben vertrouwde Opa, dat was mijn stiekeme troetelnaam voor hem, mij volkomen. Hij sliep gerust een uurtje aan mijn zijde na zijn boterhammetje. Tevreden sloeg ik dan, in mijn met mijn zakdoek afgeschermde lamplicht, zijn pruttelende lipjes gade. Hij vertrouwde op mijn volledige toewijding.
Ik maakte hem ook altijd netjes op tijd en heel beschaafd wakker. Een eindje uit zijn buurt liet ik iets voorzichtig uit mijn handen vallen zodat hij niet te zeer schrok. Nog half slapend klapte hij dan zijn krant dicht, verkondigde luid dat alles klopte en zei: "Jong, we moesten maar weer eens naar boven gaan, eens kijken hoe de mam er bij daglicht uitziet". Vervolgens ging hij voren op het bankje van de fiets zitten, lekker uit de wind want die kwam van achteren en viel meestal opnieuw in slaap.
De jong fietste en freewheelde hem dan fluitend naar de schacht en loodste hem op de kooi. Ik joeg de seingevers aan de schacht met plezier de stuipen op het lijf want het gezelschap van een hoofdopzichter gaf een onvoorstelbaar groot aanzien. Tenminste zolang er geen kolenhouwers in de buurt waren, want mijn zwarte branchegenoten hadden helaas nergens respect voor.
Die laatste keer met hem, ben ik jammer genoeg ook in slaap gesukkeld. De wilde voorafgaande pilsavond had zijn tol geëist. Ik werd pas om half een wakker. Of we met de trek (lift) van 13 uur naar boven nog konden halen was vraaglijk.
Met veel kabaal gooide ik de fiets in het spoor. Opa sprong beduusd op, klapte zijn krantje dicht en zei weer: "Alles klopt !"
"Het is al half een, hoofdopzichter !" riep ik in paniek.
Beiden beseften we wat er kon gaan gebeuren. Personenvervoer op de schacht was alleen mogelijk op het volle uur. Als we de trek van 13 uur niet zouden halen, moesten we wachten tot 14 uur. En dan gingen die honderden naar zweet en pruimtabak stinkende, zwarte kolenhouwers naar boven. Daar kon Opa, met zijn blank velletje in zijn witte pakkie, niet tussen. Die zouden hem bespotten en belachelijk maken. Die zouden hun lampen doven, scheten gaan laten en hem in het donker de schuld geven, hem met fluimen pruimtabak besproeien en hem stiekem gemeen tussen zijn benen knijpen.
Neen dat had hij niet verdiend. Ik voelde me enorm schuldig. Dit moest ik voorkomen. Ik zou rijden wat ik kon en hij zou op tijd aan de schacht zijn.
De eerste tien minuten van die dolle rit liep alles goed. Ik dacht het te gaan redden. We hadden de uittrekkende ventilatiewind in de rug, ondergronds spoor loopt 2% naar de schacht bergaf, alles zat mee - ik haalde een fantastische snelheid met de fiets.
In het zicht van de haven, ik bedoel in de laadplaats (ondergronds rangeerterrein bij de schacht) ging het jammerlijk mis. In de samenvoeging met een andere steengang werd het spoor enkelbaans en in die bocht dook plotseling de schijnwerper van een locomotief op.
Godju, noemenswaardige remmen zaten er niet op een mijnfiets. Een stripje rubber op een plankje, kon je op een wiel drukken. Je mocht er gewoon niet hard mee rijden, want mijnfietsen waren eigenlijk ontworpen voor het vervoer van springstoffen. Die mochten weer niet in personentreintjes vervoerd worden. Simple comme bonjours, nietwaar? Welwaar! Juist, aan alles was gedacht, behalve aan deze situatie.
Ik was nog veel te jong en te bang om te sterven, dus schreeuwde "Springen" tegen mijn aangenomen opa en sprong in paniek omhoog van de fiets naar de leidingen die in de gang aan het dak hingen. Dat lukte, ik hing en maakte me plat. De trein kon onder me door denderen.
In een waas, alsof het zich op een slecht filmdoek afspeelde, zag ik dat Opa bleef zitten. Met een rinkelende klap klapte de fiets op de locomotief die al stilstond.
Alles bleef een paar seconden versteend, toe liep de tijd weer door.
Ik liet me naar beneden vallen. Opa liep beduusd rond, hij voelde aan zijn hoofd waar zich plots een ei ontwikkelde, verder viel het schijnbaar mee met hem.
De machinist bejammerde luid zijn onschuld. Hij had niet te hard gereden en had tijdig zijn losse loc kunnen stoppen. De schuldige was gevonden, dat was ik.
Oh, ja - het waterpas instrument dat we altijd meesleepten en nooit gebruikten - was naar de Filistijnen. De lenzen en spiegeltjes lagen her en der verspreid. Pff, ik zou dat ding niet missen, opa was er nog ...
"Zie je niet dat de hoofdopzichter zwaar gewond is", bitste ik de machinist toe.
"Hij moet onmiddellijk naar de verbandkamer, neem hem in de cabine en rij als de bliksem naar de schacht. Ik hang de fiets achter je loc".
Opa zei niks, hij betastte voorzichtig het uitdijende ei op zijn voorhoofd en vond alles goed als hij maar niet tussen die kolenhouwers verzeild raakte.
Luid fluitend en perslucht sissend en daardoor overal in de laadplaats voorrang afdwingend, kwamen we bij de schacht.
"Ik heb een hoofdopzichter bij me, met een zware onval (verwonding)!" joeg ik de dienstdoende seingever weer de stuipen op het lijf.
"Meteen personenvervoer kloppen" (seinen), gebood ik. Dit was het laatste dat ik voor Opa kon doen, morgen zou ik toch ontslagen zijn.
Vijf minuten later waren we in de verbandkamer.
Wat we eigenlijk kwamen doen?, wilde de arts weten nadat hij Opa met een lampje in de ogen geschenen had en een paar domme vragen gesteld had, hoe hij heette bijvoorbeeld!
"Hoofdopzichter Janssen", had ik al voorgezegd
"Jong, wij moeten even apart spreken", zei de hoofdopzichter tegen de arts, hij was weer bij zijn positieven en trok het initiatief naar zich toe. De arts haalde verbaasd zijn schouders op.
"En ga jij maar douchen jong, doe de complimenten aan de mam en dan zie ik je morgen wel weer" zei de hoofdopzichter tegen mij: " Glück Auf, Jong !"
Ik word er weer een beetje week als ik nu aan hem denk. Wat was hij toch een fijne kerel.




(C)

FvdB

nov. 2000



terug naar koelpiet
terug naar koelpiet