tek. Jef Caenen (met toestemming van zijn weduwe)

Kompel 1.


Hoe ouder ik word, hoe meer last ik krijg van flashbacks. De vreemdste, schijnbaar verdrongen herinneringen uit het verleden, die nu hun latente aanwezigheid ongevraagd en brutaal onder mijn aandacht brengen. Weinig geschikt voor publicatie, want die moet min en liever meer humoristisch zijn. Het imago van een zeurfrans wil ik niet dragen. Ik heb dus wel even moeten peinzen om over mijn prilste werkdagen iets leuks (nou ja) te kunnen neerkrabbelen.
Ik begon mijn arbeidzaam leven als leerling mijnwerker, "Sleper" of zoiets heette dan toen, dacht ik. Koelpiet, (mijnwerker) worden was heel gewoon in onze contreien. Het was me min of meer aangepraat want het verdiende immers goed en men was er van overtuigd dat er voor iedereen een toekomst in lag. Trouwens veel andere keuzes waren er niet. Je kon nog de bouw in, of je moest verhuizen naar een andere streek.
De eerste dagen op de mijn ging je niet meteen ondergronds maar werd je eerst met een aantal zaken vertrouwd gemaakt in een namaakmijn, de zogenaamde leermijn. Instructeurs probeerden ons hier de elementairste mijnbouwkundige vaardigheden bij te brengen. Stutten leren zetten was een echte hoofd- en noodzaak, want na een week kwam er zo'n 600 tot 700 meter steen boven je kop te zitten. Indien je dan de kunst van het stutten niet meester was had je een ernstig probleem.
Stutmaterialen waren er in verscheidenheid aanwezig en je leerde wat, waar en hoe het gebruikt moest worden. De overeenkomst tussen alle stutmaterialen (stijlen in het vakjargon) was dat het allemaal ontzettend lomp en zwaar was. Niet gewend om met zoiets onhandelbaars om te gaan kreeg je het al heel vlug erg warm en dus veel dorst. Veel dorst doet veel drinken en veel drinken doet vaak plassen. Dat is een normaal verschijnsel echter ondergronds is dit de wet op het behoud van ellende. Er zijn geen toiletten!
Na een paar uurtjes leermijn werd mij dit duidelijk. Tussen haakjes: We schreven begin jan. 1958, dus de bedenkers van de Arbo-wet moesten nog geboren worden.
Ik vroeg beleefd, aan onze instructeur, waar de wc was en permissie om me even terug te trekken. Ik had echt geen idee waar zich het sanitair zou kunnen bevinden. Ik had al eens zoekend rondgekeken maar kon in het licht van mijn petlamp niets in het bekende genre, van een mannetje op een deur, ontdekken.
Bulderend van het lachen vroeg de mijnvader, zo heetten toen die instructeurs, wat ik moest. Moest ik uit de broek of moest ik alleen maar pissen? Ik moest alleen maar ... klein.
Dat kon overal zei hij en wees uitnodigend in het rond. Echter als ik groot moest dan kon dat in de krant die om mijn boterhammen zat. Die zou ik dan maar straks in de bovenwereld in een wc gooien. Doodse stilte na zijn bulderende lach. Ik zag sommige kompels (collegae mijnwerkers) vertwijfeld aan hun boterhammendoosje voelen. Shit! Plastic doos, geen krant !
Tijdens het boeteren ( boterhampauze) vroegen we hem hoe dat dan aan het kolenfront geregeld was.
"Dan doe je het gewoon op de schop" zei hij "en mik je de boodschap daarna bij de kolen in de transporteur". Hij zei er niet bij dat de meeste kolenfronten (pijlers) minder dan éé, meter hoog waren. Dat was de verrassing voor de komende week.
koelpieten Ik ben maar drie jaar ondergronds geweest en heb veelal in lage pijlers van ongeveer een halve meter hoog gewerkt. Ik heb vele kranten, vooral op maandagmorgen, zien voorbijkomen. De meeste waren regionale kranten, maar ik heb ook Italiaanse, Turkse en Griekse journaals ontwaard. Ik werd zelfs een mediaspecialist. Zo kon ik meestal aan de geur de nationaliteit herkennen nog voordat de boodschap gepasseerd was. Er waren echter ook uitzonderingen. Zo had ik moeite met de Telegraaf en Trouw, die waren niet van elkaar te onderscheiden.
En nu, bijna 50 jaren later, heb ik soms nog last van enge flashbacks. Ik kijk altijd, als ik ergens voor het eerst kom, waar de toiletten zijn en waar de kranten liggen. Stel je voor dat ik op de schop moet!
"Glück Auf" zeiden de mijnwerkers als ze naar beneden gingen. De diepere betekenis van die wens begreep ik pas goed op die dag toen ik op het nippertje, net een bovengrondse pot gehaald had.



(C)

FvdB

nov. 2000



terug naar koelpiet
terug naar koelpiet